Automatisch, en dus veel sneller
Het grote verschil van het automatische autotelefoonnet was dat de telefonist verdween. Je toetste zelf een nummer in en het net regelde de rest. Daarmee viel de belangrijkste rem op het gebruik weg: er hoefde niemand meer mee te luisteren om de verbinding tot stand te brengen.
De apparatuur bleef fors, maar werd hanteerbaar. De bediening kreeg een toetsenbord, het geheugen ruimte voor een handvol nummers, en de handset ging op een haakje aan de middentunnel.
Cellen in plaats van één grote zender
De tweede vernieuwing zat in de opbouw van het net. In plaats van één krachtige zender per regio kwamen er kleinere cellen, elk met een eigen zendmast. Rijd je van de ene cel naar de andere, dan draagt het net het gesprek over.
Daardoor konden dezelfde frequenties op meerdere plaatsen tegelijk gebruikt worden, wat het aantal mogelijke gesprekken vermenigvuldigde. Het is nog altijd het principe achter elk mobiel netwerk: klein houden en hergebruiken.
Vol, en toch te klein
Het succes werd meteen het probleem. Zodra bellen vanuit de auto betaalbaar werd voor het midden- en kleinbedrijf, liep het net tegen zijn grenzen aan. In de spits was het in de Randstad niet ongewoon dat je geen kanaal kreeg.
De oplossing kwam met de Scandinavische NMT-standaard, die met meer kanalen werkte en over landsgrenzen heen ging. Voor het eerst kon een Nederlandse autotelefoon ook in Zweden of Noorwegen bellen — een voorproefje van wat later roaming zou heten.
Het einde in zicht
Wat het analoge net uiteindelijk opzij zette, was niet meer capaciteit maar een andere gedachte: digitaal. Met GSM werden gesprekken versleuteld, werd het bereik beter benut en werd het toestel klein genoeg om in een jaszak te passen.
Vanaf dat moment was de autotelefoon geen aparte categorie meer. Zie ook Toen de telefoon de auto uit groeide voor die overgang.
Wat er in de mast stond
Elke cel had een opstelpunt met zendapparatuur, meestal op een bestaande mast of op een hoog gebouw. De dekking van zo'n punt hing af van de hoogte en van het landschap: over open water reikte het signaal tientallen kilometers, in bosrijk of heuvelachtig gebied aanzienlijk minder.
Daarom is de dekkingskaart van die tijd goed te lezen als een kaart van Nederland: langs de kust en over de grote wateren was het bereik uitstekend, in de bossen op de Veluwe en in Zuid-Limburg waren er gaten. Wie daar werkte, wist precies op welke plek langs de weg hij moest stoppen om te kunnen bellen.
Nummers, kentekens en abonnementen
Een autotelefoon had een eigen nummerreeks, herkenbaar aan het kengetal. Bellen naar zo'n nummer was duurder dan een gewoon gesprek, en dat wist de beller: er zat een aparte toon of een melding voor.
Het abonnement stond op naam van de houder, maar het toestel hoorde bij de auto. Bij verkoop van het voertuig moest het nummer worden overgeschreven of de installatie eruit — een administratieve rompslomp die pas verdween toen de telefoon persoonlijk werd.
Wat de antenne verraadde
Aan de antenne was het net te herkennen. De lange sprietantenne hoorde bij de lagere frequenties van de eerste netten; naarmate de frequentie omhoogging, werd de antenne korter, tot hij uiteindelijk in het apparaat zelf verdween.
Dat is meer dan nostalgie: die antennelengte is natuurkunde. Een antenne werkt het best op een lengte die past bij de golflengte, en dat is precies waarom een externe antenne op het dak nog steeds beter ontvangt dan een telefoon in een metalen kooi. Meer daarover in Waarom een externe antenne nog steeds helpt.